ECLI:NL:CRVB:2022:686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft zich ziekgemeld met gewrichtsklachten en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV heeft haar belastbaarheid per 26 september 2017 en 18 juni 2018 vastgesteld en geconcludeerd dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt, waardoor zij geen recht heeft op een WIA-uitkering. Appellante voerde aan dat haar beperkingen door artrose, carpaal tunnelsyndroom en schouderklachten zwaarder waren dan vastgesteld.
De rechtbank Limburg oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de geselecteerde functies passend waren. In hoger beroep heeft appellante nieuwe medische rapporten ingebracht, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep nuanceerde de beperkingen en concludeerde dat de beperkingen niet zodanig waren dat de belastbaarheid werd overschreden.
De Raad volgde deze nuancering en vond dat de medische gegevens geen aanleiding gaven tot een zwaardere beperking. Ook het standpunt van appellante dat zij niet langdurig met toetsenbord en muis kan werken, werd onvoldoende onderbouwd geacht. De geselecteerde functies bleven geschikt voor appellante.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.