Uitspraak
21.3597 PW
14 september 2021, 21/2908 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bijstand aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2020, stellende dat hij vanwege medische klachten, het ontbreken van een DigiD en coronamaatregelen niet eerder een aanvraag kon indienen. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende bijstand toe vanaf 22 december 2020, maar weigerde terugwerkende kracht wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende gewicht had toegekend aan zijn medische situatie en de coronamaatregelen die hulpverlening bemoeilijkten. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat volgens vaste rechtspraak bijstand in principe niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat appellant zijn medische klachten, financiële situatie en de onmogelijkheid om eerder een DigiD te verkrijgen of hulp te krijgen niet aannemelijk had gemaakt. Bovendien weigerde appellant de hulp van een begeleider die hem kon ondersteunen bij de aanvraag. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend omdat appellant geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond.