Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:668

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2022
Publicatiedatum
29 maart 2022
Zaaknummer
20/3519 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant was werkzaam als machinebediende en meldde zich in 2014 ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem in 2016 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 36,32%. Na een melding van verslechtering in 2018 werd een herbeoordeling uitgevoerd, waarbij een verzekeringsarts beperkingen vaststelde in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van november 2018. Op basis hiervan stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 4 maart 2019.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor meer beperkingen dan vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan volledig arbeidsongeschikt te zijn en verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige, maar leverde geen nieuwe medische informatie die twijfel zou kunnen zaaien over de eerdere beoordeling.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt dat de verzekeringsartsen zorgvuldig rekening hebben gehouden met alle medische informatie, waaronder rapporten van een psychiater. De beperkingen in de FML zijn adequaat vastgesteld en de geselecteerde functies overschrijden deze beperkingen niet. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

20.3519 WIA

Datum uitspraak: 17 maart 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
24 september 2020, 19/4685 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Akça-Altun, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 3 februari 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akça-Altun. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als machine bediende/operator voor ongeveer 33 uur per week. Op 21 juli 2014 heeft hij zich, vanuit een situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziek gemeld met psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 18 juli 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 36,32%. Het bezwaar en beroep van appellant tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard.
1.2.
Op 2 juli 2018 heeft appellant bij het Uwv melding gemaakt van een verslechtering van zijn gezondheid. In het kader van een herbeoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 november 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 3 januari 2019 vastgesteld dat appellant met ingang van 4 maart 2019 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 juli 2019 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de door appellant in beroep ingebrachte medische stukken niet blijkt dat er meer beperkingen vastgesteld hadden moeten worden dan nu is gedaan. De rechtbank heeft dan ook geen reden gezien om aan de conclusies van de verzekeringsartsen te twijfelen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een psychiater als onafhankelijk deskundige te benoemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in bezwaar op verzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep door een psychiater op 25 juni 2019 is gerapporteerd en dat er in beroep geen stukken zijn overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de conclusies in dat rapport.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij zich vanwege zijn lichamelijke en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt acht. Volgens appellant is hij, gelet op zijn klachten alsmede zijn medicatiegebruik, niet geschikt voor de geselecteerde functies. Appellant heeft verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige die zijn psychische klachten kan onderzoeken.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 4 maart 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellant heeft beëindigd.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
4.4.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De verzekeringsartsen hebben bij hun beoordeling van de medische situatie en beperkingen van appellant rekening gehouden met de door appellant verstrekte informatie van zijn psychiater, neuroloog, orthopeed, gastro-enteroloog en oogarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tevens het expertiserapport van psychiater Van der Wurff in zijn overwegingen betrokken en appellant psychisch en lichamelijk onderzocht.
4.5.
De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen aangenomen belastbaarheid van appellant. Op basis van eigen onderzoek, de beschikbare medische informatie van de behandelaars van appellant en het expertiserapport van psychiater Van der Wurff, hebben de verzekeringsartsen in de FML van 26 november 2018 beperkingen opgenomen die voortvloeien uit de medische klachten van appellant. Daarbij zijn de verzekeringsartsen uitgegaan van de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis en een persisterende depressieve stoornis en van chronische rugpijn en een hernia. Er zijn geen aanknopingspunten dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 18 juli 2019 en 14 november 2019 voldoende gemotiveerd uiteengezet dat met de FML van 26 november 2018 in voldoende mate rekening is gehouden met de op de datum in geding bij appellant bestaande psychische en lichamelijke beperkingen voor het verrichten van arbeid. Uit de door appellant ingebrachte medische informatie van zijn behandelaars kan niet worden afgeleid dat bij hem sprake is van meer of andere beperkingen op de datum in geding dan die door de verzekeringsartsen zijn aangenomen. Appellant heeft voor wat betreft zijn psychische klachten nog aangevoerd dat teveel waarde is gehecht aan het expertiserapport van 25 juni 2019 van psychiater Van der Wurff. Dit standpunt wordt niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 18 juli 2019 en 14 november 2019 voldoende gemotiveerd dat in het uitgebreide rapport van psychiater Van der Wurff goed is beschreven hoe de aandoening en de gevolgen daarvan gezien moeten worden en dat hij de ernstige depressie waarvan melding gemaakt is door de behandelend psychiater van appellant niet heeft kunnen waarnemen. De bevindingen van psychiater Van der Wurff zijn ook in lijn met de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door appellant ingebrachte medische gegevens van zijn psychiater in Turkije zijn summier en minder onderbouwd dan het onderzoek door psychiater Van der Wurff. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die twijfel doet rijzen aan de juistheid van de in de FML van 26 november 2018 vastgestelde beperkingen.
4.6.
Nu geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling bestaat, is er geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen.
4.7.
Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen in de FML van 26 november 2018 gaat de belasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de beperkingen van appellant niet te boven. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 3 januari 2019 de geschiktheid van de geselecteerde functies uitgebreid en deugdelijk gemotiveerd. Er is geen aanleiding om het Uwv niet te volgen in deze uitleg over de geschiktheid van de functies.
4.8.
Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2022.
(getekend) S. Wijna
(getekend) S.C. Scholten