ECLI:NL:CRVB:2022:65

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 januari 2022
Publicatiedatum
7 januari 2022
Zaaknummer
20/3396 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWArt. 19ab ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ZW-uitkering terecht wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellante was werkzaam als helpende en meldde zich ziek op 12 maart 2018. Het UWV kende haar ziekengeld toe op basis van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarom haar ziekengeld per 7 maart 2019.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat haar beperkingen te licht waren vastgesteld, met name vanwege hand- en polsklachten en slaapproblemen. Ook stelde zij dat er onterecht geen overleg was geweest tussen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige over de geselecteerde functies.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel. De Raad vond dat het UWV voldoende medische en arbeidskundige gronden had om de verdiencapaciteit vast te stellen en dat de FML rekening hield met de slaapproblemen. Het ontbreken van structureel overleg tussen arts en arbeidsdeskundige was niet onrechtmatig.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Uitspraak

20 3396 ZW

Datum uitspraak: 6 januari 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
25 augustus 2020, 19/4487 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. mr. S.A. Adjiembaks, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als helpende bij Stichting [A] en bij [B] BV voor gecombineerd 37,47 uur per week. Op 12 maart 2018 heeft zij zich ziek gemeld. Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 3 januari 2019 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog ongeveer 84% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 6 februari 2019 vastgesteld dat appellante met ingang van 7 maart 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 17 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep met bijbehorende FML van 21 mei 2019 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij het standpunt handhaaft dat haar beperkingen ondanks de aanscherpingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog te licht zijn vastgesteld. Het betreft vooral de beperkingen ten gevolge van de hand- en polsklachten en zij is van mening dat er een urenbeperking gesteld dient te worden vanwege haar slaapproblemen. Tevens meent appellante dat in tegenstelling tot het door het Uwv gevoerde beleid er ten onrechte geen overleg is geweest tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep over de geselecteerde functie.
3.2.
Het Uwv heeft gesteld dat er alleen overleg wordt gepleegd als de arbeidsdeskundige dit noodzakelijk acht en dat van enig vast beleid dat altijd overleg wordt gepleegd geen sprake is. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsgeschiktheid van appellante in de zin van de ZW terecht met ingang van 7 maart 2019 heeft vastgesteld op meer dan 65% en terecht het ziekengeld van appellante per die datum heeft beëindigd.
4.3.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en terecht geoordeeld dat deze niet slagen. Het oordeel en de overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Appellante heeft ook in hoger beroep niet met nadere medische stukken of anderszins onderbouwd dat zij verdergaand beperkt moet worden geacht dan in de FML van 21 mei 2019 is aangenomen. De grond dat het Uwv een urenbeperking had moeten opnemen slaagt niet. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, is er in de FML rekening gehouden met een verhoogde behoefte tot recuperatie van appellante, mede gebaseerd op de anamnese van de aanwezigheid van verstoorde slaap door nachtmerries twee keer per week. Om die reden is opgenomen dat gemiddeld niet meer dan 8 uur per dag gewerkt zou moeten worden en niet meer dan 40 uur per week. Vanwege het belang van een goede nachtrust en het aanhouden van een adequaat dag-nachtritme geen nachtdiensten of onregelmatige diensten. Voor een verdergaande urenbeperking zijn geen aanknopingspunten
4.4.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Alle mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid zijn voldoende toegelicht. Dat het Uwv een beleid zou voeren dat de arbeidsdeskundige immer met de verzekeringsarts zou overleggen over de geselecteerde functies is door het Uwv ontkend. Zodanig overleg vindt plaats als de arbeidsdeskundige dit noodzakelijk acht. Appellante heeft haar stelling niet nader onderbouwd.
4.5.
De overwegingen in 4.3 en 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2022.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) S.C. Scholten