Appellante was werkzaam als schoonmaakster en viel in 2014 uit wegens ziekte. Het UWV kende haar in 2016 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 38,15%. Na een herbeoordeling in 2017 werd de uitkering geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bleek te zijn. Appellante meldde zich in 2019 met toegenomen beperkingen, waarop het UWV opnieuw een medische beoordeling uitvoerde en de arbeidsongeschiktheid vaststelde op 3,62%, hetgeen leidde tot weigering van een uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen passend waren bij de geselecteerde functies. Appellante voerde aan dat het onderzoek onvoldoende was en dat zij volledig arbeidsongeschikt moest worden geacht, onderbouwd met rapporten van haar eigen verzekeringsarts.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en voegt toe dat ook de door appellante ingeschakelde arts niet tot een andere conclusie kwam over de mate van arbeidsongeschiktheid per de datum in geschil. De Raad wijst het verzoek af om een onafhankelijke deskundige te benoemen en bevestigt dat de functies passend zijn en de mate van arbeidsongeschiktheid terecht onder de 35% is vastgesteld. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.