ECLI:NL:CRVB:2022:621

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2022
Publicatiedatum
23 maart 2022
Zaaknummer
20/1379 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.13 RlzWet langdurige zorg
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen pgb-besluit en schadevergoeding

Appellant is op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geïndiceerd voor zorg en ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2019. Het zorgkantoor verhoogde het pgb na bezwaar gedeeltelijk, maar wees hogere bedragen af. De rechtbank Overijssel verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en wees het schadevergoedingsverzoek af.

Appellant stelde in hoger beroep dat het pgb-bedrag volgens de Regeling langdurige zorg (Rlz) hoger had moeten zijn, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van het hoger beroep identiek waren aan een eerder verworpen beroep over 2017 en dat de voor 2019 geldende bedragen in artikel 5.13 Rlz van toepassing zijn.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 maart 2022.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.

Uitspraak

20.1379 WLZ

Datum uitspraak: 9 maart 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 februari 2020, 19/836 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [naam] hoger beroep ingesteld en verzocht het zorgkantoor te veroordelen tot vergoeding van schade.
Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 december 2020 heeft mr. J.C.E. Siebenga-Moggré, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geïndiceerd voor zorg. Het zorgkantoor heeft bij besluit van 18 december 2018 hem in verband hiermee voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 bij of krachtens de Wlz een persoonsgebonden budget (pgb) van € 62.965,00 verleend.
1.2.
Het zorgkantoor heeft bij besluit van 19 april 2019 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 18 december 2018 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het zorgkantoor heeft namelijk een te laag bedrag aan Extra Kosten Thuis toegekend. Dit bedrag wordt verhoogd, waardoor het totale pgb voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 € 76.452,10 bedraagt. Het bezwaar is ongegrond voor zover appellant heeft betoogd dat bij het zorgprofiel van appellant andere pgb-bedragen horen, dan het zorgkantoor heeft toegepast.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover van belang, overwogen dat het zorgkantoor de hoogte van het pgb heeft gebaseerd op de van toepassing zijnde pgb-bedragen van de Regeling langdurige zorg (Rlz). Appellant heeft weliswaar naar hogere bedragen verwezen, maar deze bedragen gelden niet voor appellant.
3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Appellant heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat uit de toepasselijke bepalingen van de Rlz volgt dat bij het zorgprofiel van appellant een pgb kan worden verleend van € 92.320,-. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Verder heeft appellant de Raad verzocht het zorgkantoor te veroordelen tot vergoeding van schade.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden van dit hoger beroep zijn identiek aan de gronden van het hoger beroep dat appellant heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 februari 2020, 18/1490 over de verlening van het pgb voor het jaar 2017 (20/1376 WLZ). De Raad heeft bij uitspraak van heden geoordeeld dat de gronden van dat hoger beroep (20/1376 WLZ) niet slagen. De overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, met daarbij de aanvulling dat voor dit hoger beroep de voor het jaar 2019 in artikel 5.13, eerste lid, van de Rlz opgenomen bedragen gelden. Hieruit volgt dat ook de gronden van dit hoger beroep niet slagen.
4.2.
Uit wat is overwogen onder 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd en het verzoek om vergoeding van schade zal worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2022.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) B.H.B. Verheul