ECLI:NL:CRVB:2022:619
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen pgb-besluit 2018 en schadevergoeding
Appellant is op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geïndiceerd voor zorg en ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2018. Het zorgkantoor verleende aanvankelijk een pgb van € 60.760,00, later verhoogd naar € 72.510,98 en uiteindelijk na bezwaar tot € 74.248,72. Appellant betoogde dat op grond van het zorgprofiel een hoger pgb van € 89.086,- zou moeten gelden.
De rechtbank Overijssel verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat de toegepaste pgb-bedragen conform de Regeling langdurige zorg (Rlz) waren vastgesteld. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van dit hoger beroep identiek zijn aan die van een eerder hoger beroep over 2017, dat eveneens werd verworpen. De Raad bevestigde dat voor 2018 de bedragen uit artikel 5.13, eerste lid, van de Rlz gelden en dat appellant geen recht heeft op een hoger pgb. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot vergoeding van schade af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.