Uitspraak
20 1969 WAO
PROCESVERLOOP
mr. M.F.H.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die sinds 1999 een WAO-uitkering ontving wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, kreeg deze uitkering per 1 april 2005 beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na een melding in 2018 van vermeende toename van haar medische klachten, waaronder diabetes en psychische problemen, weigerde het UWV opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was, met name omdat niet goed werd gekeken naar de beginsituatie en de periode tot 2010. Ook stelde zij dat haar astmatische klachten ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beoordeling adequaat had gemotiveerd en dat er geen medische onderbouwing was voor een toename van beperkingen binnen vijf jaar na 1 april 2005.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen grond voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd op 8 maart 2022 in het openbaar uitgesproken door S. Wijna.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.