ECLI:NL:CRVB:2022:580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldige beoordeling door UWV bevestigd
Appellant, voormalig stoffeerder, meldde zich ziek met rugklachten en later met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV verleende aanvankelijk ziekengeld, maar stelde later vast dat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen in geschikte functies, waarop de ZW-uitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en geschiktheid voor functies juist waren vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende was ingegaan op zijn medische bezwaren en dat hij ongeschikt was voor de geselecteerde functies, met name vanwege fysieke belasting.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er was geen medische onderbouwing voor meer beperkingen of een urenbeperking. De arbeidsdeskundige had adequaat toegelicht waarom de functies medisch passend zijn, waarbij ook de aard en duur van belastende handelingen zoals torderen werden beoordeeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd omdat appellant medisch en arbeidskundig voldoende belastbaar is.