ECLI:NL:CRVB:2022:564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over eerste arbeidsongeschiktheidsdag wegens onvoldoende zorgvuldigheid medisch onderzoek
Appellante ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering en heeft in 2017 een dienstverband beëindigd. Zij meldde zich ziek per 2 januari 2017, maar het UWV stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 15 september 2017, gebaseerd op dossieronderzoek van een verzekeringsarts. Appellante voerde aan dat haar eerste ziektedag wel degelijk 2 januari 2017 was, onderbouwd met informatie van psychologen en psychiaters.
De rechtbank en de Raad hadden eerder het standpunt van het UWV bevestigd, waarbij werd aangenomen dat de late ziekmelding het risico voor appellante was en dat onvoldoende medische gegevens een eerdere eerste ziektedag ondersteunden. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd omdat het uitsluitend op dossieronderzoek berustte zonder heroverweging door een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Raad stelt vast dat uit de medische informatie blijkt dat appellante vanaf juni 2017 behandeling volgde voor depressie en angstsstoornis, en dat de toegenomen beperkingen vanaf 15 september 2017 zijn vastgesteld. Het besluit van het UWV is daarom niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De Raad vernietigt het besluit en beveelt het UWV een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het beroep tegen deze nieuwe beslissing exclusief bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivering, en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.