ECLI:NL:CRVB:2022:557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij afwijzing bijzondere bijstand schulden
Appellant ontvangt sinds 2017 bijstand en vroeg in 2018 bijzondere bijstand aan voor een schuld aan Univé verzekeringen, welke door het college werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat het college opnieuw moest beslissen. Het college handhaafde het besluit in 2020, stellende dat appellant ten tijde van het ontstaan van de schuld bijstand ontving en geen dringende redenen voor bijstand bestonden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het college onvoldoende onderzoek deed naar noodzakelijke hulp bij zijn schulden en verwees naar artikelen 48 en 49 van de Participatiewet. Tijdens de zitting bleek dat appellant in 2021 een saneringskrediet ontving via een pilot van het college, waarbij schulden werden overgenomen en appellant een maandelijkse aflossing aan het college doet.
Appellant stelde dat hij schade heeft geleden doordat het college hem niet tijdig informeerde over de pilot, wat leidde tot hogere schulden en een hoger aflossingsbedrag. De Raad oordeelde dat het belang bij beoordeling van het bestreden besluit in beginsel is komen te vervallen door het saneringskrediet en dat de gestelde schade niet het gevolg is van het bestreden besluit.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.