ECLI:NL:CRVB:2022:544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens kasstorting als middel
Appellante ontvangt sinds 2012 bijstand op grond van de Participatiewet. Tijdens een heronderzoek werd vastgesteld dat op 21 juli 2017 een kasstorting van € 2.000,- op haar bankrekening plaatsvond, waarna zij datzelfde bedrag overmaakte naar haar ex-partner X. Appellante verklaarde dat het geld afkomstig was van een contante opname door de compagnon van X, bedoeld om snel overgemaakt te worden naar X.
Het college van burgemeester en wethouders van Venray trok de bijstand over juli 2017 in en vorderde € 1.258,74 terug, omdat de kasstorting als inkomen werd beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de kasstorting vrijelijk ter beschikking stond van appellante en dat haar verklaringen niet werden ondersteund door objectieve bewijsstukken.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, maar slaagde er niet in nieuwe feiten of argumenten aan te dragen die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen. De Raad concludeerde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het bedrag niet tot haar middelen mocht worden gerekend, mede omdat er geen rechtstreeks verband was tussen de kasstorting en eerdere contante opnames van de compagnon van X.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand blijft gehandhaafd.