ECLI:NL:CRVB:2022:522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatwerkvoorziening opvang en omgangsregeling dochter onder Wmo 2015
Appellant vroeg een maatwerkvoorziening opvang op grond van de Wmo 2015, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar verleende het college een maatwerkvoorziening vanaf 8 november 2019, toen appellant rechtmatig verblijf in Nederland kreeg. Het college weigerde echter de opvang zodanig aan te passen dat appellant zijn dochter kon ontvangen, omdat zij bij haar moeder woont en appellant gebruik kan maken van een ontmoetingscentrum.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het college onvoldoende rekening hield met zijn behoefte om zijn dochter in de opvang te ontvangen en dat hij al vóór 8 november 2019 rechtmatig verblijf had. Tevens voerde hij een beroep op EU-recht aan.
De Raad oordeelde dat het college terecht rekening hield met de woonsituatie van de dochter en de mogelijkheden voor omgang via een ontmoetingscentrum en andere ontmoetingsplekken. Het beroep op EU-recht en het verzoek om vergoeding van bezwaarkosten werden verworpen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.