ECLI:NL:CRVB:2022:52
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet betalen griffierecht en ontbreken beroepsgronden
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het griffierecht van €134,- niet binnen de gestelde termijn was betaald. Daarnaast bevatte het ingediende beroepschrift geen gronden van beroep, wat een vereiste is volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De gemachtigde van appellante is bij brief van 7 september 2021 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen, maar heeft deze termijn ongebruikt laten verlopen. Vervolgens is bij aangetekende brief van 8 oktober 2021 nogmaals een termijn van vier weken gesteld om de beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-inhoudelijke behandeling van de zaak. Ook deze termijn is voorbijgegaan zonder reactie.
Gezien het niet betalen van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden, oordeelt de Raad dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarom wordt zonder verdere inhoudelijke behandeling beslist. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
De uitspraak is gedaan door rechter E.J. Otten op 5 januari 2022, waarbij P.A.M. Hulsdouw als griffier aanwezig was.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.