ECLI:NL:CRVB:2022:499
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening ouderdomspensioen vanwege gezamenlijke huishouding in Suriname
Appellant ontving sinds 2010 een ouderdomspensioen volgens de norm voor ongehuwden. Na melding van samenwonen met zijn partner in Suriname vanaf februari 2016, stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek in en concludeerde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Svb paste het pensioen aan naar de gehuwdennorm en vorderde het te veel betaalde bedrag van €7.363,55 terug, tevens legde zij een boete van €1.840,89 op wegens te late melding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat samenwonen in Suriname niet anders beoordeeld kan worden dan in Nederland en dat aan de criteria voor gezamenlijke huishouding was voldaan. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de situatie in Suriname niet vergelijkbaar is en dat hij geen financieel voordeel had, maar dit werd verworpen omdat de beoordeling objectief is en niet afhangt van motieven.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat appellant vanaf het moment dat zijn partner bij hem introk niet langer aanspraak kon maken op het ongehuwdenpensioen. De terugvordering en boete zijn terecht opgelegd. Er zijn geen dringende redenen voor kwijtschelding gesteld. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 8 maart 2022 door K.H. Sanders.
Uitkomst: De herziening van het ouderdomspensioen, de terugvordering en boete worden bevestigd omdat sprake is van gezamenlijke huishouding vanaf februari 2016.