ECLI:NL:CRVB:2022:44
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende motivering duurbeperking
Appellante was sinds 2014 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer. Het UWV stelde bij herbeoordeling in 2018 dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was, waarop de uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de belastbaarheid correct was vastgesteld en geen reden was voor een duurbeperking.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische en fysieke klachten, waaronder ernstige vermoeidheid en pijn, onvoldoende waren meegewogen en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende had gemotiveerd waarom een duurbeperking niet aan de orde was. De Raad concludeerde dat de medische stukken, waaronder rapporten van de huisarts en revalidatieartsen, ernstige vermoeidheid en uitputting aantonen die niet adequaat zijn weerspiegeld in de motivering van het UWV.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en beval het UWV tot een nieuwe beslissing op bezwaar over te gaan, waarbij de motivering omtrent de duurbeperking adequaat moet worden gegeven. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en werd het griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.