ECLI:NL:CRVB:2022:428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beëindiging WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant was taxichauffeur en meldde zich in 2014 ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%. In 2017 beëindigde het UWV de uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% zou zijn. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, waarbij verschillende medische rapporten en deskundigenonderzoeken werden overlegd.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat appellant op de datum in geschil een lichte verstandelijke beperking en psychische klachten had, wat zwaardere beperkingen rechtvaardigde dan eerder aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had deze beperkingen niet volledig in de Functionele Mogelijkhedenlijst opgenomen.
De arbeidsdeskundige stelde vast dat met de juiste beperkingen onvoldoende passende functies voor appellant beschikbaar waren, waardoor hij als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt. De Raad vernietigde het eerdere besluit en uitspraak, herroept het besluit van het UWV en bepaalt dat appellant recht heeft op een WIA-uitkering gebaseerd op volledige arbeidsongeschiktheid vanaf 27 september 2017. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en appellant wordt vanaf 27 september 2017 volledig arbeidsongeschikt verklaard met recht op WIA-uitkering.