Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:427

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2022
Publicatiedatum
3 maart 2022
Zaaknummer
21/1459 WIA-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in WIA-uitkeringszaak ongegrond verklaard

Appellant was het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep, omdat het hogerberoepschrift te laat was ingediend. De rechtbank Rotterdam had de aangevallen uitspraak op 18 februari 2021 verzonden, maar de brief van appellant was onbestelbaar retour gekomen. De rechtbank stuurde de uitspraak opnieuw per gewone post, waarbij werd meegedeeld dat de beroepstermijn niet opnieuw zou lopen. Het hogerberoepschrift werd uiteindelijk op 28 april 2021 ontvangen, na de uiterste termijn van 1 april 2021.

Appellant voerde in verzet aan dat zijn slechte financiële situatie, ontruiming van zijn woning, gebrek aan vaste verblijfplaats, vertraging bij het verkrijgen van een postadres en ziekte hem verhinderden tijdig hoger beroep in te stellen. De Raad oordeelde echter dat deze omstandigheden geen verschoonbare reden vormen voor de termijnoverschrijding. Appellant had derden kunnen inschakelen om zijn belangen te behartigen en was op de hoogte van de uitspraak.

De Raad concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die het verzet konden dragen en verklaarde het verzet ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.C. Boeree op 3 maart 2022.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 3 maart 2022
21/1459 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2021, 20/2123 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak van 18 februari 2021 niet-ontvankelijk verklaard. De Raad heeft die beslissing genomen op grond van de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Appellant is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring en heeft verzet ingediend.
Het verzet is behandeld ter zitting van 12 november 2021. Appellant heeft via beeldbellen aan de zitting deelgenomen. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De Raad heeft het hoger beroep van appellante in de uitspraak van 8 september 2021
niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig is ingediend.
De rechtbank heeft de aangevallen uitspraak op 18 februari 2021 per aangetekende post naar partijen verzonden. De brief van appellant is “onbestelbaar” bij de rechtbank retour ontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank de aangevallen uitspraak op 23 februari 2021 per gewone post aan appellant verzonden. Hierbij heeft de rechtbank aan appellant meegedeeld dat er met de nieuwe verzending geen nieuwe termijn is gaan lopen. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend blijft dus 1 april 2021. Het hogerberoepschrift is op 28 april 2021 bij de Raad ontvangen en blijkens de poststempel op 26 april 2021 ter post aangeboden. De termijn voor het indienen van hoger beroep is dus overschreden.
In verzet voert appellant aan dat zijn financiële situatie slecht is omdat hij geen inkomen heeft en daardoor schulden heeft opgebouwd. Ook geeft appellant aan dat zijn woning is ontruimd door een huurachterstand, en dat hij daardoor geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Appellant heeft bij het college een postadres aangevraagd en dat heeft erg lang op zich laten wachten waardoor hij lange tijd geen post heeft kunnen ontvangen. Verder voert appellant nog aan dat hij ziek is en medicijnen inneemt.
In het geval van appellant ziet de Raad geen reden voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Appellant heeft de beroepstermijn overschreden en geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat eerder hoger beroep instellen niet mogelijk was. De situatie van appellant is erg vervelend maar dit neemt niet weg dat appellant een derde had kunnen inschakelen om zijn belangen te behartigen en ervoor had kunnen zorgen dat zijn post werd doorgestuurd. Hij was er van op de hoogte dat hij een uitspraak van de rechtbank kon verwachten. De Raad stelt dan ook vast dat er in het verzetschrift geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van N.N. Gambier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2022.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) N.N. Gambier