Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:426

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2022
Publicatiedatum
3 maart 2022
Zaaknummer
21/1012 PW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:104 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep in voorlopige voorziening ongegrond verklaard

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de Centrale Raad van Beroep waarin de Raad zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter op een verzoek om een voorlopige voorziening.

De Raad heeft geoordeeld dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen hoger beroep mogelijk is tegen uitspraken op voorlopige voorzieningen. Appellant voerde aan dat de taalkundige constructie van artikel 8:81 Awb Pro en een vermeende schending van de procesorde aanleiding zouden moeten zijn om het hoger beroep wel in behandeling te nemen.

De Raad heeft deze argumenten onderzocht en vastgesteld dat de wet expliciet het appelverbod op dergelijke uitspraken regelt, waardoor het verzet ongegrond is. Er is geen reden om het appelverbod te doorbreken. Ook is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in aanwezigheid van griffier N.N. Gambier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2022.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van de Raad wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep tegen de voorlopige voorziening blijft niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Datum uitspraak: 3 maart 2022
21/1012 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2021, 20/6648 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 31 augustus 2021 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van appellant. De Raad heeft die beslissing genomen op grond van de artikelen 8:54, 8:108, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 8:84, eerste lid van de Awb.
Appellant is het niet eens met de onbevoegd verklaring en heeft verzet ingediend bij de Raad.
Het verzet is behandeld ter zitting van 20 januari 2022. Beide partijen zijn niet verschenen. Appellant heeft verklaard dat wat hem betreft de zitting geannuleerd kan worden.

OVERWEGINGEN

In de uitspraak van 31 augustus 2021 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep omdat het volgens de wet, in dit geval de Awb, niet mogelijk is om hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak van een voorzieningenrechter op een verzoek om voorlopige voorziening.
In verzet voert appellant aan dat de Raad zijn hoger beroep wel in behandeling moet nemen omdat er sprake is van schending van de procesorde. Appellant verwijst daarbij naar de taalkundige constructie van artikel 8:81 van Pro de Awb.
De Raad stelt vast dat er geen hoger beroep mogelijk is tegen een uitspraak in een voorlopige voorziening. Daarbij verwijst de Raad naar de artikelen 8:54, eerste lid en 8:104, vierde lid, van de Awb waarin staat dat er geen appelmogelijkheid is tegen de uitspraak op een voorlopige voorziening. De argumenten van appellant over de taalkundige constructie kunnen dan ook niet tot een ander oordeel leiden. De Raad ziet geen aanleiding voor doorbreking van het appelverbod in hetgeen appellant heeft aangevoerd.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van N.N. Gambier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2022.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) N.N. Gambier