Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:425

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2022
Publicatiedatum
3 maart 2022
Zaaknummer
20/857 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19a Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning bijstand met toepassing kostendelersnorm zonder commerciële huurrelatie

Appellant keerde in oktober 2018 terug naar Nederland en vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet. Hij verklaarde een kamer te huren van een medebewoner (X) en overhandigde een huurcontract en enkele betalingsbewijzen. Het college voerde onderzoek uit en concludeerde dat geen commerciële huurrelatie bestond, omdat appellant de daadwerkelijke huurbetalingen niet aannemelijk maakte.

Het college kende bijstand toe met toepassing van de kostendelersnorm, wat inhoudt dat appellant als kostendeler wordt beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat wel sprake was van een commerciële huurrelatie, waardoor X geen kostendeler zou zijn.

De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de bewijsvereisten uit artikel 19a van de Participatiewet, omdat de huurbetalingen niet overeenkwamen met het contract en niet via de afgesproken bankrekening waren voldaan. De stelling dat sprake was van illegale onderhuur was onvoldoende om het bewijs van betaling te ontzien.

De Raad bevestigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen commerciële huurrelatie is aangetoond en wijst het hoger beroep af, waardoor bijstand met toepassing van de kostendelersnorm terecht is toegekend.

Uitspraak

20.857 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
16 januari 2020, 19/3299 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 1 maart 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.J. Janse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Janse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Scholte.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is op 16 oktober 2018 vanuit Algerije teruggekeerd naar Nederland en heeft zich op 19 oktober 2018 bij het college gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op 31 oktober 2018 heeft appellant een aanvraag naar de norm voor een alleenstaande ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij op een adres in [woonplaats] (uitkeringsadres) een kamer huurt voor € 450,- per maand. Daarbij heeft hij een op 30 oktober 2018 gedateerd huurcontract overgelegd. Daarin is opgenomen dat appellant met ingang van 23 oktober 2018 een kamer huurt op het uitkeringsadres. De totale huur inclusief bijkomende kosten bedraagt € 435,- en de huur moet worden voldaan op de bankrekening van de verhuurder (X).
1.2.
Ter beoordeling van de aanvraag heeft het college een onderzoek gesteld. In dat kader is appellant bij brief van 15 november 2018 verzocht om aanvullende informatie, waaronder bewijs van de reeds betaalde huur. In reactie hierop heeft appellant twee ongedateerde kwitanties overgelegd. Op de eerste kwitantie is vermeld dat appellant € 450,- heeft betaald aan X ten behoeve van de huur van oktober 2018. De tweede kwitantie betreft een bedrag van € 150,-. Waarvoor dit bedrag betaald is, en aan wie, staat niet vermeld. Verder heeft appellant een zogenoemd bewijs van betaling van 1 december 2018 ingeleverd bij het college. Daarop is vermeld dat X voor de huur van 23 oktober 2018 tot 31 oktober 2018 van appellant een bedrag van € 150,- heeft ontvangen, voor de huur van de maand november 2018 een bedrag van € 450,- en voor de huur van de maand december 2018 ook een bedrag van € 450,-. Vervolgens heeft op 11 december 2018 een huisbezoek plaatsgevonden op het uitkeringsadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van
17 januari 2019.
1.3.
Bij besluit van 17 januari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 augustus 2019 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant met ingang van 19 oktober 2018 bijstand toegekend met toepassing van de kostendelersnorm. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant als kostendeler wordt beschouwd, omdat niet is gebleken van een commerciële huurrelatie.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat wel sprake is van een commerciële huurrelatie, zodat X geen kostendelende medebewoner is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De hier te beoordelen periode loopt van 19 oktober 2018 tot 1 februari 2019.
4.2.
Niet in geschil is dat appellant en X in de te beoordelen periode hoofdverblijf hadden in de woning op het uitkeringsadres.
4.3.1.
Ingevolge artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.
4.3.2.
In artikel 19a, tweede lid, van de PW is bepaald dat de belanghebbende voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst overlegt en de betaling van de commerciële prijs aantoont door het overleggen van de bewijzen van betaling.
4.4.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van commerciële huurrelatie tussen appellant en X, alleen al omdat appellant de daadwerkelijke betaling van de huurprijs aan X niet heeft aangetoond. Hierbij is het volgende van belang.
4.4.1.
Anders dan in de huurovereenkomst is bepaald, heeft appellant geen huur betaald via overmaking naar de bankrekening van X. Met de overgelegde stukken heeft appellant ook contante betaling niet aangetoond. De in de huurovereenkomst genoemde huur en de door appellant overgelegde stukken over de betaling komen niet overeen. Zo komt de kwitantie voor de betaling van huur over de maand oktober 2018 van € 450,- niet overeen met het bedrag van € 150,- dat volgens het bewijs van betaling ten behoeve van de huur over de maand oktober 2018 is betaald. Ook komen de bedragen van € 450,- en van
€ 150,- niet overeen met de in de huurovereenkomst genoemde huur van € 435,- per maand.
4.4.2.
De stelling van appellant dat hij slachtoffer is van illegale onderhuur waardoor hij de huurbetaling niet kan aantonen, kan niet leiden tot een ander oordeel. Het is aan appellant om desgevraagd de in artikel 19a, tweede lid van de PW genoemde gegevens te verstrekken.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het college bij de toekenning van de bijstand terecht heeft aangenomen dat appellant een kostendelende medebewoner heeft. Het hoger beroep slaagt daarom niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2022.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) B. Beerens