Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:42

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2022
Publicatiedatum
5 januari 2022
Zaaknummer
20/3009 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 lid 1 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van UWV-besluit over vaststelling arbeidsongeschiktheid op 58,16% onder de Wet WIA

Appellante was werkzaam als verzorgende en meldde zich ziek met bekkenbodem- en psychische klachten. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 58,16% na een medische en arbeidsdeskundige beoordeling, waarbij functies passend bij haar beperkingen werden geselecteerd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren meegenomen. Appellante bracht in hoger beroep aan dat haar beperkingen onderschat waren en verzocht om een onafhankelijke deskundige.

De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig en gemotiveerd waren, dat de beperkingen in samenhang waren beoordeeld en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die twijfel rechtvaardigden. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.

De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de rechtbank dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening is gebaseerd medisch geschikt zijn. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 58,16%.

Uitspraak

20 3009 WIA

Datum uitspraak: 5 januari 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juli 2020, 19/3380 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Groeneweg. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als verzorgende voor 42,76 uur per week. Op 7 februari 2017 heeft appellante zich, aansluitend aan de WAZO-periode, ziek gemeld met bekkenbodem klachten en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 december 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Zij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 7 januari 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 5 februari 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
In de bezwaarfase is appellante gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die aanvullende beperkingen heeft aangenomen in een FML van 24 mei 2019. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens nieuwe functies geselecteerd en op basis van de nieuw geselecteerde functies de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 58,16%. Bij besluit van 24 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en aan appellante per 5 februari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid of motivering van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en voldoende gemotiveerd rekening gehouden met de beperkingen van appellante. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid of dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank ziet geen aanleiding een deskundige aan te wijzen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de geduide functies passend zijn voor appellante. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsduurbelasting in de geduide functies binnen de belastbaarheid van appellante valt en dat voldoende gemotiveerd is dat er voldoende ruimte bestaat voor het volgen van therapie en voor recuperatie.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. De verschillende klachten van appellante waaronder de stemmingsstoornis, PTSS, bekkeninstabiliteit, slechte nachtrust en energetische beperking, hadden in samenhang bezien tot meer beperkingen moeten leiden. De beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante wel een huishoudtrap kan beklimmen is niet inzichtelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Het gaat niet alleen om het kunnen vasthouden van een keukentrap, maar ook om angst voor vallen of pijn vanwege de bekkeninstabiliteit. Ook kan appellante geen bovenhandse handelingen verrichten als zij zich boven op een trap moet vasthouden. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Appellante voelt zich door het Uwv onvoldoende gehoord en gezien. Appellante verzoekt de Raad een deskundige te benoemen op het gebied van PTSS, bekkeninstabiliteit en vermoeidheidsklachten die kan beoordelen of de beperkingen van appellante in onderlinge samenhang bezien het arbeidsongeschiktheidspercentage rechtvaardigen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 5 februari 2019 heeft vastgesteld op 58,16%.
4.3.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de medische beoordeling door het Uwv. In verband met bekkeninstabiliteit zijn beperkingen aangenomen voor zware trillingen, dient appellante in de buurt van het toilet te werken, kan zij niet frequent buigen en kan zij niet zwaar duwen, trekken, tillen en dragen. Verder is zij beperkt geacht voor zitten en staan, voor klimmen op een ladder, lopen op oneffen terrein en in geknield en-of gehurkt actief zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het aanvullende rapport van 12 juni 2020 voldoende gemotiveerd dat appellante een huishoudtrap kan gebruiken. Appellante is niet beperkt geacht voor werken boven schouderhoogte en is ook niet beperkt voor persoonlijk risico op dit punt. Daarbij is van belang dat bij het lichamelijk onderzoek door de arts, waarbij onder meer het heffen van het been is onderzocht, geen bijzonderheden zijn geconstateerd aan het bewegingsapparaat en dat ook de fysiotherapeut geen afwijkende bijzonderheden aan de rug heeft gevonden. Voor wat betreft de psychische klachten van appellante is rekening gehouden met slechte nachtrust en vermoeidheid doordat een urenbeperking is aangenomen voor 6 uur per dag en 30 uur per week, zodat voldoende recuperatietijd aanwezig is. Ook zijn de schildklierproblematiek en het medicatiegebruik van appellante bij de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken. De rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn zorgvuldig tot stand gekomen, concludent en geven geen aanleiding om de medische beoordeling onjuist te achten. Voor zover de klachten van appellante niet bij de primaire beoordeling zijn betrokken, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze bij de beoordeling betrokken en gemotiveerd of, en tot welke beperkingen deze klachten leiden. In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens ingebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de gemotiveerde beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4.4.
Nu de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt, wordt geen aanleiding gezien over te gaan tot het inschakelen van een medisch onafhankelijk deskundige.
4.5.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 24 mei 2019 wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2022.
(getekend) W.J.A.M. van Brussel
(getekend) L.R. Kokhuis