ECLI:NL:CRVB:2022:42
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over vaststelling arbeidsongeschiktheid op 58,16% onder de Wet WIA
Appellante was werkzaam als verzorgende en meldde zich ziek met bekkenbodem- en psychische klachten. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid vast op 58,16% na een medische en arbeidsdeskundige beoordeling, waarbij functies passend bij haar beperkingen werden geselecteerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren meegenomen. Appellante bracht in hoger beroep aan dat haar beperkingen onderschat waren en verzocht om een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig en gemotiveerd waren, dat de beperkingen in samenhang waren beoordeeld en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die twijfel rechtvaardigden. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de rechtbank dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening is gebaseerd medisch geschikt zijn. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 58,16%.