ECLI:NL:CRVB:2022:402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellant ontving bijstand als alleenstaande en stond ingeschreven op een adres in Amsterdam. Na een onderzoek door een sociaal rechercheur bleek dat X met drie kinderen vanaf 8 augustus 2018 feitelijk op het uitkeringsadres verbleef. Het college trok de bijstand met ingang van die datum in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het verblijf van X tijdelijk was vanwege een verbouwing van haar woning en dat hij de inlichtingenplicht niet had geschonden. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor het tijdelijke karakter van het verblijf en dat X haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
Verder stelde appellant dat slechts bijstand na zes maanden teruggevorderd mocht worden, maar ook dit werd verworpen. De Raad bevestigde dat appellant en X een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden, waardoor intrekking en terugvordering terecht waren. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf op het uitkeringsadres worden bevestigd.