ECLI:NL:CRVB:2022:388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, maar het UWV heeft vastgesteld dat hij geen recht heeft op deze uitkering omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd en overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen onderschat zijn en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige, omdat hij op 0,1% na de grens van 25% arbeidsongeschiktheid niet heeft gehaald. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de medische beoordeling juist en voldoende gemotiveerd is, dat het rapport van A-REA onvoldoende onderbouwing bevat en dat de beperkingen die appellant stelt niet aannemelijk zijn.
De Raad bevestigt dat het UWV de juiste beoordelingsdatum heeft gehanteerd gezien de laattijdige aanvraag en dat de toepasselijke regelgeving correct is toegepast. Omdat er geen twijfel bestaat aan de medische beoordeling, is benoeming van een deskundige niet nodig. De uitspraak van de rechtbank wordt met verbetering van gronden bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.