Uitspraak
20 3082 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
23 februari 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als parkeerwachter, meldde zich ziek met fysieke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank Rotterdam.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische en fysieke beperkingen, waaronder rug-, schouder-, nier- en longklachten, en dat de belastbaarheid in de geduide functies werd overschreden. Hij stelde dat de medische informatie onvoldoende was betrokken en dat er onterecht geen urenbeperking was aangenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep grotendeels een herhaling van eerdere gronden betrof en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De medische informatie toonde geen nieuwe problematiek die niet reeds was meegenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst verwerkt en de arbeidsdeskundige had de geschiktheid van de functies voldoende gemotiveerd.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 35% had vastgesteld en de uitkering mocht weigeren. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.