Uitspraak
20.2183 ZW
7 mei 2020, 19/2910 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als vouwer in een wasserette en meldde zich ziek met klachten aan haar rechterarm en -hand. Het Uwv kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze later omdat zij volgens medisch en arbeidskundig onderzoek meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat haar beperkingen door medicatiegebruik onvoldoende waren meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, zonder nieuwe medische informatie te overleggen. Zij stelde dat het gebruik van citalopram haar beperkingen vergrootte, maar kon dit niet met medische gegevens onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het Uwv. De medicatie was pas na de datum in geding gestart, waardoor geen extra beperkingen hoefden te worden aangenomen. Ook zag de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.