ECLI:NL:CRVB:2022:346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na geschiktheid voor functie machinaal metaalbewerker bevestigd
Appellante was laatstelijk pedagogisch medewerkster en meldde zich in 2015 ziek. Na een WIA-beoordeling in 2017 werd zij minder dan 35% arbeidsongeschikt bevonden en geschikt geacht voor diverse functies, waaronder machinaal metaalbewerker. Na een nieuwe ziekmelding in 2018 kende het UWV een Ziektewetuitkering toe. Bij een eerstejaars ZW-beoordeling in 2019 stelde een verzekeringsarts een toename van beperkingen vast, maar een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante geschikt bleef voor de functie machinaal metaalbewerker. Het UWV meldde appellante per 1 augustus 2019 hersteld en beëindigde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beoordeling juist was vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende medisch onderzoek had gedaan, onvoldoende rekening had gehouden met haar klachten en dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige had benoemd. Zij overhandigde aanvullende stukken over ondersteuning en medicatie.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de verzekeringsarts terecht de beperkingen had vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke toekomstige verbetering. De medische informatie ondersteunde het oordeel van het UWV. Er was geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV appellante terecht geschikt heeft geacht voor de functie machinaal metaalbewerker en de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.