ECLI:NL:CRVB:2022:337

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 februari 2022
Publicatiedatum
23 februari 2022
Zaaknummer
20/1426 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in WAJONG-zaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake WAJONG. Het UWV nam op 28 januari 2021 een nieuwe beslissing. Vervolgens trok appellante het hoger beroep in en verzocht om een proceskostenveroordeling van het UWV.

De Centrale Raad van Beroep onderzocht of het hoger beroep was ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel aan de bezwaren van appellante was tegemoetgekomen, zoals vereist voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a Awb.

Het UWV stelde dat de nieuwe beslissing niet tegemoetkwam aan de bezwaren. De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet was ingetrokken wegens een gewijzigde beslissing die geheel of gedeeltelijk tegemoetkwam aan de bezwaren.

Daarom werd het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. De uitspraak werd gedaan door J.P.M. Zeijen op 3 februari 2022.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het hoger beroep niet is ingetrokken wegens een gewijzigde beslissing die geheel aan de bezwaren tegemoetkomt.

Uitspraak

Datum uitspraak: 3 februari 2022
20/1426 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
12 februari 2020, 19/1613 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. van Ham, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 28 januari 2021 een nieuwe beslissing genomen.
Bij brief van 12 maart 2021 heeft mr. van Ham namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruikgemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met het beslissing van
28 januari 2021 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Het Uwv heeft zich in zijn brief van 7 april 2021 op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Het Uwv heeft daartoe aangevoerd dat zij naar aanleiding van het ingediende hoger beroepschrift geen nieuwe beslissing heeft afgegeven waarmee geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante.
Met het Uwv is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellante niet is ingetrokken als gevolg van een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Het verzoek om een proceskostenveroordeling dient dan ook te worden afgewezen, omdat geen sprake is van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2022.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) H. Alajai
GdJ