Uitspraak
21.1999 WUV, 21/2000 WUBO
OVERWEGINGEN
WUV
WUBO
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in november 1944 in bevrijd gebied, heeft een aanvraag ingediend voor uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder wees deze aanvragen af omdat appellant geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan en niet voldoet aan de nationaliteitseisen, en omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat appellant zelf oorlogsgeweld heeft meegemaakt zoals bedoeld in de Wubo.
De Raad stelt vast dat een ongeboren vrucht niet als vervolgde of burger-oorlogsslachtoffer kan worden aangemerkt en dat de ervaringen van de moeder tijdens haar zwangerschap geen rol spelen bij de beoordeling. Omdat appellant na de bevrijding is geboren, heeft hij geen vervolging ondergaan en kan hij niet gelijkgesteld worden met vervolgden. Ook is niet gebleken dat appellant zelf oorlogsgeweld heeft meegemaakt; de internering van zijn ouders vindt geen toepassing op hem.
De Raad concludeert dat de bestreden besluiten in stand kunnen blijven en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij na de bevrijding is geboren en geen oorlogsgeweld heeft meegemaakt.