ECLI:NL:CRVB:2022:301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2007 arbeidsongeschikt was gemeld en aanvankelijk een volledige WIA-uitkering ontving, werd na een herbeoordeling door het UWV geconfronteerd met een verlaging van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage en beëindiging van zijn uitkering per 7 september 2017. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgde en de door appellant ingeschakelde deskundigen niet volgde.
In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV zijn psychiatrische toestand en depressie had onderschat en dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van zijn eigen deskundigen negeerde. De Centrale Raad van Beroep liet zich adviseren door een onafhankelijke psychiater en een klinisch neuropsycholoog, die concludeerden dat appellant een aanpassingsstoornis had zonder ernstige beperkingen die tot een urenbeperking zouden leiden.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig, inzichtelijk en consistent was en dat er geen reden was om aan het oordeel te twijfelen. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 3 juli 2017 geeft een juist beeld van de beperkingen en mogelijkheden van appellant. Het UWV had bovendien voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
Daarmee werd het hoger beroep van appellant verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 7 september 2017 wegens voldoende benutbare mogelijkheden.