ECLI:NL:CRVB:2022:2841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op IVA-uitkering wegens onvoldoende volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig fabrieksmedewerker, meldde zich ziek met heup- en beenklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 42,93%. Na bezwaar en meerdere herbeoordelingen stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij en beëindigde de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling deugdelijk was en de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld. Appellant stelde dat hij meer beperkingen had, onder meer door het gebruik van hulpmiddelen, en dat het UWV onterecht geen IVA-uitkering toekende.
In hoger beroep wijzigde het UWV het besluit en stelde de arbeidsongeschiktheid op 80 tot 100%, maar kende geen IVA-uitkering toe omdat er nog passende functies zouden zijn. De Centrale Raad van Beroep vernietigde het eerdere besluit en oordeelde dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De medische en arbeidskundige rapporten waren voldoende gemotiveerd en toonden aan dat appellant meer dan 20% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant en moest het griffierecht vergoeden. Het beroep tegen het besluit van 14 april 2021 werd gegrond verklaard en dat tegen het besluit van 15 september 2022 ongegrond.
Uitkomst: Appellant is niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en heeft geen recht op een IVA-uitkering.