ECLI:NL:CRVB:2022:2791
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen AOW-inzetenschap tijdens verblijf in Zwitserland wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellante bereikte in 2020 de pensioengerechtigde leeftijd en vroeg een ouderdomspensioen aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende dit toe op basis van een uitkeringspercentage van 94%, omdat zij tussen 19 oktober 1970 en 13 augustus 1974 niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd. Dit was het gevolg van haar verblijf in Zwitserland, waar zij met haar gezin woonde vanwege het werk van haar vader.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij vanaf 19 oktober 1970 geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dus geen ingezetene was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar verblijf in Zwitserland tijdelijk was en uitsluitend studieredenen betrof, en dat zij een duurzame band met Nederland bleef houden.
De Raad oordeelde dat het Nederlandse recht van toepassing is en dat ingezetenschap afhangt van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Uit de feiten bleek dat appellante al meer dan drie jaar in Zwitserland verbleef zonder substantiële terugkeer naar Nederland. Haar banden met Nederland, zoals vakanties en taalgebruik thuis, waren onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen.
Ook het beroep op de hardheidsclausule van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 faalde, omdat dit besluit niet van toepassing was in de relevante periode. De Raad bevestigde daarom dat appellante in de periode 1970-1974 niet verzekerd was voor de AOW. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellante was tussen 1970 en 1974 geen ingezetene van Nederland en daardoor niet verzekerd voor de AOW; de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.