ECLI:NL:CRVB:2022:2760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IVA-uitkering wegens ontbreken duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe te kennen, waarbij werd vastgesteld dat hij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is, maar niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat er voldoende behandelmogelijkheden waren die zijn belastbaarheid konden verbeteren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij recht heeft op een IVA-uitkering vanwege een chronisch psychotisch beeld en recidiverende klachten, maar kon dit niet onderbouwen met nieuwe medische stukken. Het UWV verwees naar een rapport van een verzekeringsarts en wees op het feit dat appellant als zelfstandige was gestart, wat duidt op een toename van belastbaarheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar dat zijn situatie niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is zoals bedoeld in de Wet WIA. De verwachting van verbetering door therapie en medicatie was op de datum in geding gerechtvaardigd, ook al heeft de behandeling achteraf minder effect gehad.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de IVA-uitkering wordt bevestigd.