Uitspraak
21 989 ZW
8 maart 2021, 20/784 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als algemeen medewerkster inpakwerk en meldde zich ziek met mentale en energetische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe vanaf juli 2018. Na een eerstejaars beoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige berekende dat appellante 82,81% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarom haar uitkering per september 2019.
Appellante maakte bezwaar en beroep, maar zowel het UWV als de rechtbank Rotterdam verklaarden haar beroep ongegrond. De rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en vond geen aanleiding om het oordeel over haar verdiencapaciteit te wijzigen. Appellante kon niet aantonen dat haar gezondheidssituatie op de datum in geschil anders was dan vastgesteld.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen, met name door duizeligheidsklachten, werden onderschat. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsartsen deze klachten hadden onderkend en dat de beperkingen adequaat waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Er was geen nieuwe medische informatie die aanleiding gaf tot een ander oordeel.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen en dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.