ECLI:NL:CRVB:2022:2704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellante heeft in 2012 een Wajong-uitkering aangevraagd die door het UWV werd afgewezen omdat zij in staat werd geacht meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. In 2019 vroeg zij opnieuw om een uitkering en verzocht terug te komen op het eerdere besluit, onderbouwd met een rapport uit 2006 over haar psychische en fysieke beperkingen.
Het UWV stelde vast dat dit rapport geen nieuw feit of veranderde omstandigheid bevatte in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, omdat de informatie al bekend was bij het eerdere onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het besluit niet evident onredelijk was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het rapport niet eerder was overlegd omdat zij destijds niet in staat was haar belangen te behartigen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het rapport geen inzicht gaf in haar medische situatie op de relevante leeftijd en dat haar stellingen niet met stukken waren onderbouwd.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht geen nieuwe feiten had vastgesteld en dat het bestreden besluit niet evident onredelijk was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.