ECLI:NL:CRVB:2022:2697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum WGA-uitkering correct vastgesteld op 28 oktober 2018
Appellant was industrieel reiniger en viel sinds 7 april 2005 uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem vanaf 25 december 2006 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 55%. Na een herbeoordeling op 28 oktober 2018 stelde een verzekeringsarts vast dat appellant per die datum volledig arbeidsongeschikt was, maar niet duurzaam vanwege lopende behandeling.
Het UWV kende op 17 april 2019 een WGA-uitkering toe met ingang van 28 oktober 2018 en verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze ingangsdatum bij besluit van 28 april 2020 ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel, stellende dat onvoldoende medische informatie aanwezig was om volledige arbeidsongeschiktheid eerder vast te stellen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de toename van arbeidsongeschiktheid al in 2013 aan de orde was en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door niet eerder spreekuren te organiseren of psychologen en psychiaters te betrekken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende gemotiveerd had dat geen objectieve gronden bestonden voor een eerdere ingangsdatum en dat appellant geen nieuwe medische informatie had overgelegd.
De Raad benadrukte dat het uitgangspunt is dat betrokkene zelf melding doet bij toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat appellant zich had kunnen laten bijstaan of een beroep doen op zijn sociale omgeving. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De ingangsdatum van de WGA-uitkering is terecht vastgesteld op 28 oktober 2018; hoger beroep wordt afgewezen.