Appellant was financieel administratief medewerker en meldde zich ziek op 24 juli 2015. Het UWV kende hem vanaf 21 juli 2017 een WGA-vervolguitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,61% (klasse 65-80%). Na melding van verslechtering in maart 2018 handhaafde het UWV bij besluit van 6 juli 2018 deze indeling. Appellant maakte bezwaar, dat bij besluit van 1 maart 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond vanwege aanpassing van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) tijdens de procedure, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit omdat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep betwist appellant de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en voert aan dat zijn gezondheidsproblemen zijn toegenomen en dat de geselecteerde functies niet passend zijn, onder meer omdat hij geen geldig rijbewijs heeft voor de functie van besteller post/pakketten. Het UWV handhaaft het standpunt en de arbeidsdeskundige heeft de functies aangepast, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op 71,22% blijft.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen reden bestaat te twijfelen aan de juistheid van de FML en de medische rapportages. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle beschikbare medische informatie inzichtelijk en gemotiveerd verwerkt, waarbij geen ernstige afwijkingen zijn vastgesteld die tot hogere beperkingen leiden. De aanvullende medische informatie in hoger beroep leidt niet tot wijziging van de beperkingen. De arbeidsdeskundige heeft de functies adequaat aangepast en gemotiveerd. De Raad ziet geen aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Het UWV wordt verplicht het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.