ECLI:NL:CRVB:2022:2627
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering AIO-aanvulling wegens geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan
Appellante, een Duitse onderdaan en EU-burger, ontving sinds 2017 een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling). De staatssecretaris stelde echter vast dat zij geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had en besloot de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen.
Appellante voerde aan dat zij op grond van artikel 11 van Pro de Participatiewet met een Nederlander gelijkgesteld moest worden, omdat zij de lopende bezwaar- en beroepsprocedures tegen haar verblijfsbesluiten mocht afwachten. De Raad oordeelde dat het verblijf in afwachting van deze procedures wel rechtmatig was op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, maar dat dit niet leidt tot gelijkstelling met een Nederlander volgens artikel 11 van Pro de Participatiewet.
Verder stelde appellante dat bij de intrekking rekening had moeten worden gehouden met haar leeftijd en zorgsituatie, en dat zij niet over de middelen beschikte om de terugvordering te voldoen. Deze stellingen werden niet nader onderbouwd en konden de intrekking en terugvordering niet weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling wegens geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt bevestigd.