Appellant had op 7 juli 2016 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming meerkosten zorg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college stelde niet tijdig op deze aanvraag te hebben beslist, waarna appellant het college in gebreke stelde. De rechtbank had eerder een dwangsom van € 610,- vastgesteld wegens het niet tijdig beslissen.
Appellant vorderde vervolgens vergoeding van schade wegens de te late betaling van deze dwangsom, waaronder wettelijke rente, reis- en portokosten en immateriële schade. De rechtbank wees deze vorderingen af, onder meer omdat de verwijzing naar het arbeidsrecht niet opging en de immateriële schade onvoldoende was onderbouwd.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college wettelijke rente verschuldigd is over de periode vanaf 9 januari 2017 tot de dag van betaling, omdat het college de dwangsom niet binnen de wettelijke termijn heeft vastgesteld en betaald. De Raad vernietigt het eerdere vonnis voor zover het college niet is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en veroordeelt het college tot vergoeding van deze rente en de proceskosten van appellant.
De Raad wijst het verzoek om vergoeding van reis-, verlet- en portokosten en immateriële schade af, conform het oordeel van de rechtbank. Het college wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.