ECLI:NL:CRVB:2022:2572
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en gevolgen voor AOW alleenstaandenpensioen
Appellant en zijn ex-echtgenote, die samen twee kinderen hebben, voerden een gezamenlijke huishouding vanaf eind december 2018. Hoewel mevrouw na haar pensionering bij haar dochter ging wonen, concludeerde de Sociale verzekeringsbank (Svb) op basis van verklaringen, medisch en financieel bewijs dat haar hoofdverblijf vanaf die datum bij appellant was. Hierdoor verviel het recht op een alleenstaandenpensioen en kregen beiden een AOW-uitkering op basis van de gehuwdennorm.
Appellant betwistte deze conclusie en stelde dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf juli 2019 bestond, mede omdat mevrouw had gezocht naar een eigen woning. De Svb wijzigde haar standpunt tijdens de procedure en stelde de gezamenlijke huishouding vast vanaf eind december 2018. De Raad oordeelde dat de motieven en aard van de relatie niet relevant zijn voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding volgens de AOW.
De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde dat de Svb terecht de AOW-uitkering aanpaste. Er was geen sprake van fraude of boeteoplegging. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en zijn ex-echtgenote vanaf eind december 2018 een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor zij geen recht meer hadden op een alleenstaandenpensioen.