ECLI:NL:CRVB:2022:2552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning IVA-uitkering aan werkneemster met ingang van 25 juli 2018
Werkneemster ontvangt sinds november 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling door het UWV in december 2017 bleef de uitkering ongewijzigd. In mei 2018 werd een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waartegen appellante bezwaar maakte. De rechtbank oordeelde in 2019 dat het UWV de besluiten onzorgvuldig had voorbereid en onvoldoende had gemotiveerd, en gaf het UWV opdracht dit te herstellen.
Het UWV nam in februari 2020 een nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij de bezwaren van appellante opnieuw ongegrond werden verklaard. In hoger beroep stemde het UWV in met het toekennen van een IVA-uitkering aan werkneemster met ingang van 25 juli 2018, en ook appellante gaf hieraan haar instemming.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken, verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover het bezwaar tegen het besluit van mei 2018 ongegrond werd verklaard. De Raad bepaalt zelf dat werkneemster recht heeft op een IVA-uitkering vanaf 25 juli 2018. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Werkneemster krijgt met ingang van 25 juli 2018 een IVA-uitkering toegekend en het bestreden besluit wordt vernietigd.