Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2499

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2022
Publicatiedatum
25 november 2022
Zaaknummer
21 / 4502 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 Wsf 2000Art. 12.19 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering wegens meerinkomen studiefinanciering 2017 bevestigd door Centrale Raad van Beroep

Betrokkene ontving in 2017 studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs en een reisvoorziening. De minister legde een vordering wegens meerinkomen op van €1.801,25, gebaseerd op het toetsingsinkomen dat de bijverdiengrens overschreed.

De rechtbank had de vordering verlaagd tot €1.068,84, uitsluitend rekening houdend met de waarde van de reisvoorziening. De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat ook de ontvangen basisbeurs van €2.325,44 in aanmerking moest worden genomen.

De Raad oordeelde dat betrokkene niet tijdig een aanvraag tot beëindiging van studiefinanciering had ingediend en dat zijn stelling dat hij per 1 september 2017 had afgezien van studiefinanciering onvoldoende feitelijk was onderbouwd. De minister heeft de vordering correct vastgesteld conform artikel 3.17 van de Wsf 2000.

Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen over 2017 van €1.801,25 wordt bevestigd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

21.4502 WSF, 22/1997 WSF

Datum uitspraak: 16 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 december 2021, 21/3146 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
De minister heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend, waarbij incidenteel hoger beroep is ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2022. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
De minister heeft aan betrokkene, voor zover hier van belang, op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) over 1 januari 2017 tot 1 september 2017 aan betrokkene studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs en een reisvoorziening toegekend. Vanaf 1 september 2017 heeft de minister aan betrokkene een nul-lening en een reisvoorziening toegekend.
1.2.
Bij besluit van 11 maart 2021, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 18 juni 2021 (bestreden besluit), heeft de minister betrokkene over 2017 een vordering wegens meerinkomen opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uitgaande van het toetsingsinkomen van betrokkene in 2017 van € 16.017,- en de voor 2017 geldende bijverdiengrens van € 14.215,75, betrokkene in 2017 een bedrag van € 1.801,25 te veel heeft bijverdiend. Omdat betrokkene in 2017 (ten minste) voor dat bedrag studiefinanciering heeft ontvangen in de vorm van een prestatiebeurs en een reisvoorziening, is de vordering vastgesteld op een bedrag van € 1.801,25.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 11 maart 2021 herroepen en bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde betreden besluit. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de minister de vordering wegens meerinkomen had moeten vaststellen op € 1.068,84, het bedrag dat de overheid in 2017 heeft uitgegeven voor het aan betrokkene toegekende studentenreisproduct.
3.1.
De minister heeft hoger beroep ingesteld. Onder verwijzing naar artikel 3.17, lid 7, aanhef en sub a, van de Wsf 2000 is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte uitsluitend rekening heeft gehouden met de waarde van de reisvoorziening en niet tevens met de door betrokkene genoten basisbeurs van € 2.325,44.
3.2.
Betrokkene stelt dat hij per 1 september 2017 heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering, in die zin dat hij de reisvoorziening vanaf 1 september 2017 niet meer heeft gebruikt en dat ervan zou moeten worden uitgegaan dat hij niet alleen de basisbeurs maar de reisvoorziening per die datum heeft opgezegd. Verder zou het bedrag moeten worden verlaagd tot € 569,-.
3.3.
De minister heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat betrokkene de basisbeurs en de reisvoorziening niet per 1 september 2017 heeft opgezegd. De basisbeurs is na 48 maanden ambtshalve beëindigd en betrokkene heeft het besluit waarbij hem in aansluiting op de basisbeurs een nul-lening is toegekend niet aangevochten. Het reisproduct heeft betrokkene pas op 10 februari 2018 stopgezet.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Ingevolge de overgangsregeling die is opgenomen in artikel 12.19 van de Wsf 2000 is op betrokkene over 2017 het bepaalde in artikel 3.17 van de Wsf 2000 van toepassing. Voor zover in dit geding van belang luidt dat artikel als volgt:
“1. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2017 van € 14.215,75.
(…)
5. Bij de berekening van het meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen studerende was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:
a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of
b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar.
(…)
7. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de met betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende toegekende bedragen aan:
a. basisbeurs,
b. aanvullende beurs,
c. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag gelijk aan een twaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, (…), vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover (…) het toetsingsinkomen is berekend.”
(…)
11. Een aanvraag van de studerende aan Onze Minister om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking indien dat verzoek is ingediend voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar.”
4.2.
Niet gebleken is dat betrokkene voor 1 juli 2018 een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in het elfde lid van artikel 3.17 van de Wsf 2000. De stelling van betrokkene dat hij per 1 september 2017 heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering is niet gebaseerd op een toereikende feitelijke grondslag. Verder is tussen partijen niet in geschil dat betrokkene in 2017 naast de reisvoorziening een bedrag van € 2.325,44 aan basisbeurs heeft ontvangen. Dit leidt tot de conclusie dat de minister de bij het bestreden besluit gehandhaafde vordering in overeenstemming met het dwingendrechtelijke artikel 3.17 van de Wsf 2000 heeft vastgesteld op € 1.801,25.
5. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van de minister slaagt en dat de stellingname van betrokkene moet worden verworpen. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juni 2021 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2022.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt