ECLI:NL:CRVB:2022:2492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen uitspraak voorzieningenrechter
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, waarin een verzoek om een voorlopige voorziening werd behandeld. De voorzieningenrechter had op grond van artikel 8:84 Awb Pro beslist. De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek op de zitting gehouden op 16 augustus 2022, waarbij partijen verschenen en vertegenwoordigd waren. Tijdens de zitting is ook onderzocht of partijen tot een oplossing konden komen, maar dat bleek niet het geval.
De Raad heeft vervolgens overwogen dat artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) expliciet bepaalt dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb geen hoger beroep mogelijk is. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd om het hoger beroep te behandelen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.N.A. Bootsma in aanwezigheid van griffier Y.S.S. Fatni en uitgesproken in het openbaar op 8 november 2022.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om het hoger beroep te behandelen.