ECLI:NL:CRVB:2022:248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV tot beëindiging recht op ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit
Appellante, laatst werkzaam als helpende, meldde zich ziek met rug- en beenklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna het UWV besloot het ziekengeld te beëindigen omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat de beperkingen in de FML onvoldoende waren meegenomen, met name een zwaardere beperking op blootstelling aan stof, rook, gassen en dampen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde extra beperkingen vast en een arbeidsdeskundige herbeoordeelde de functies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de beperkingen adequaat waren meegenomen en de geselecteerde functies medisch passend waren. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat het UWV de beperkingen voldoende had gemotiveerd en dat de FML juist was opgesteld.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde het besluit van het UWV. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter E.W. Akkerman op 26 januari 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.