ECLI:NL:CRVB:2022:2410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die zijn beroep tegen de beslissing van het UWV op bezwaar ongegrond verklaarde. Het UWV had geweigerd om appellant per 30 maart 2018 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en voegt toe dat appellant onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd voor zijn stellingen over beperkingen op cognitief gebied, zelfstandigheid, handelingstempo en rugklachten. De verzekeringsartsen, psychologen, huisarts en orthopedisch chirurg geven geen aanwijzingen voor ernstiger beperkingen dan door het UWV aangenomen.
Ook de door appellant gestelde slaapproblemen zijn niet medisch onderbouwd, waardoor een urenbeperking niet wordt aangenomen. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.