ECLI:NL:CRVB:2022:241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich in 2015 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem aanvankelijk een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van circa 40%. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waarna de WIA-uitkering werd beëindigd per 12 november 2018.
Appellant voerde aan dat zijn psychische belastbaarheid, benauwdheidsklachten en het maatmanloon onjuist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies niet actueel waren. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld, waarbij ook informatie van behandelend psychiaters was betrokken.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en concludeerde dat er geen aanleiding was tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige. De Raad verwierp de bezwaren van appellant over de psychische klachten, benauwdheidsklachten, actualiteit van functies en maatmanloon. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering per 12 november 2018 bevestigd.