Uitspraak
21 1358 WIA
9 maart 2021, 20/1988 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die zich in 2017 ziek meldde vanwege klachten aan haar rechtervoet, enkel en lage rug, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd beoordeelde.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder dat zij een hernia heeft en dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar netelroos en nikkelallergie. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische stukken, waaronder een brief van een neuroloog en MRI-verslagen, geen aanleiding geven om het oordeel over haar belastbaarheid te wijzigen. De Raad stelt dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwd zijn en dat de door het UWV geselecteerde functies passend zijn.
De Raad wijst het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen af en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.