ECLI:NL:CRVB:2022:2347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als managementassistente, meldde zich in mei 2018 ziek met vermoeidheidsklachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en niet geschikt was voor haar laatst verrichte werk. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling en de selectie van passende functies onderschreef. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij ernstiger beperkt was en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige, verwijzend naar een rapport van een verzekeringsarts die een urenbeperking adviseerde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. De Raad onderschrijft de medische beoordeling dat de vermoeidheid niet voldoende is geobjectiveerd en dat een urenbeperking op preventieve of energetische gronden niet gerechtvaardigd is. Er is geen aanleiding voor nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.