ECLI:NL:CRVB:2022:2287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking, terugvordering en boete bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf 28 augustus 2017. Na een anonieme melding dat zij samenwoonde met X, de vader van haar kinderen, heeft het college onderzoek gedaan. Op 23 juli 2019 verklaarde appellante dat X sinds 13 maart 2019 vrijwel dagelijks bij haar verbleef. Bij een huisbezoek werden persoonlijke spullen van X aangetroffen en buurtbewoners bevestigden het samenwonen.
De Raad concludeerde dat X zijn hoofdverblijf bij appellante had en dat zij haar inlichtingenverplichting had geschonden door dit niet te melden. Het college was daarom verplicht de bijstand in te trekken, terug te vorderen en een boete op te leggen. Appellante voerde aan onder druk te zijn gezet, maar de Raad vond geen bewijs van ontoelaatbare druk.
Een nieuwe aanvraag van appellante werd afgewezen omdat zij niet meewerkte aan een huisbezoek na een intakegesprek, ondanks dat een van haar kinderen licht ziek was. De Raad oordeelde dat dit niet zwaarwegend genoeg was om de medewerkingsplicht te schenden. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking, terugvordering en boete bijstand worden bevestigd en de nieuwe aanvraag afgewezen.