ECLI:NL:CRVB:2022:2278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum WAO-uitkering bij gebrek aan bijzonder geval
Appellante ontving sinds 1997 een WAO-uitkering, die in 2014 werd herzien naar 45-55% arbeidsongeschiktheid. Na ziekmelding in 2016 verzocht zij met terugwerkende kracht verhoging van haar uitkering, wat door het UWV werd afgewezen omdat zij niet verzekerd was volgens de Ziektewet. Het UWV verhoogde uiteindelijk de WAO-uitkering per 17 juli 2017 naar 80-100%, maar weigerde dit met terugwerkende kracht toe te passen vanaf juni 2016.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de verhoging pas vanaf 2017 liet ingaan. Er was geen bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, WAO, omdat er wel een nauw betrokken persoon (de ex-partner) was die op de hoogte was van haar verslechterde gezondheid en van wie verwacht mocht worden dat hij melding bij het UWV zou maken.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij zelf geen inzicht had in haar psychische problematiek en dat er geen nauw betrokken personen waren die een melding hadden kunnen doen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de ex-partner als zodanig kon worden aangemerkt en bevestigde dat geen sprake was van een bijzonder geval. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellante wordt terecht verhoogd met ingang van 17 juli 2017 en niet eerder.