Uitspraak
21.2704 ZW
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar stelde bij een eerstejaars beoordeling vast dat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige handhaafden het standpunt dat appellant arbeidsgeschikt was voor geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de psychische klachten samenhingen met psychosociale omstandigheden die buiten beschouwing moesten blijven en dat de medische beoordeling zorgvuldig was. Ook de door appellant ingebrachte rapporten van zijn psychiater en psycholoog waren onvoldoende onderbouwd en niet relevant voor de datum in geding.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zwaardere beperkingen in acht genomen moesten worden en verzocht om een onafhankelijk deskundige. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de nieuwe medische informatie niet tot een ander oordeel leidt, en dat de beperkingen voor rugklachten adequaat waren meegenomen.
De Raad wees het verzoek om een onafhankelijk deskundige af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling.